De kolonisatie van het dagelijks leven

De actualiteit van Henri Lefebvre

Kolonialisme als thema kan vanuit verschillende gezichtspunten worden benaderd. Maar ook de betekenis van het begrip zelf heeft in de loop der tijd meerdere invullingen gekregen. De Franse filosoof Henri Lefebvre introduceerde in de jaren zestig van de vorige eeuw het idee van de kolonisatie van het dagelijks leven, dat onder andere veel invloed heeft gehad op de denkbeelden van de situationisten. Wat hier volgt is een korte uiteenzetting van Lefebvre’s ideeën over dit onderwerp.

Kolonialisme als thema kan vanuit verschillende gezichtspunten worden benaderd. Maar ook de betekenis van het begrip zelf heeft in de loop der tijd meerdere invullingen gekregen. De Franse filosoof Henri Lefebvre introduceerde in de jaren zestig van de vorige eeuw het idee van de kolonisatie van het dagelijks leven, dat onder andere veel invloed heeft gehad op de denkbeelden van de situationisten. Wat hier volgt is een korte uiteenzetting van Lefebvre’s ideeën over dit onderwerp.

Henri Lefebvre

Portret Lefebvre

De Franse marxistische socioloog en filosoof Henri Lefebvre (1901-1991) wordt beschouwd als een van de belangrijkste denkers uit de twintigste eeuw. Hij schreef meer dan zestig boeken en enkele honderden artikelen over tal van verschillende onderwerpen. Tot zijn belangrijkste werken behoren de trilogie Critique de la vie quotidienne (De kritiek van het dagelijks leven), Le Droit à la ville (Het recht op de stad) en La production de l’espace (De productie van de ruimte).

Lefebvre werd geboren in Hagetmau, Landes, in het zuidwesten van Frankrijk. Zijn jeugdjaren op het Franse platteland zouden een grote invloed hebben op zijn latere theorieën over de productie van de ruimte. In 1920 vertrok Lefebvre naar Parijs om filosofie te studeren aan de Sorbonne en kwam daar in contact kwam met André Breton en de surrealisten. Als overtuigd marxist werd hij in 1928 lid van de Franse communistische partij (PCF), die hem al snel tot officiële partij-intellectueel promoveerde, belast met de opdracht tegenstanders neer te sabelen met zijn scherpe pen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontvluchtte Lefebvre Parijs, waar hij inmiddels een positie had als professor, om zich bij het verzet in zijn geboortestreek in de Pyreneeën te voegen. Hij zou er bijna doodgaan van de honger. Na de oorlog werd hij eerst professor in Straatsburg en daarna in 1965 in Nanterre, een voorstad ten westen van Parijs. Na zijn royement uit de PCF in 1958, die hij naar eigen zeggen via de linkerdeur had verlaten, was hij actief in verschillende sociale bewegingen van zijn tijd. Hij had grote invloed in de studentenopstanden van 1968 en op de situationisten.

Lefebvre is altijd blijven schrijven, ook tot lang na zijn pensioen, en zijn werk is altijd politiek geëngageerd gebleven. Veel van zijn teksten zijn tot op de dag van vandaag nog uiterst actueel, en zijn invloed is – getuige de vele recente Engelse vertalingen van zijn werk – met name ook in het Engelse taalgebied zeer groot, en dan vooral op het gebied van sociologie, filosofie, cultuurstudies, geografie, urban studies en politieke economie.

Lefebvre en het kolonialisme

Hoewel Lefebvre in vele opzichten een uiterst origineel denker was, weken zijn ideeën over het kolonialisme nauwelijks af van die van de gemiddelde Franse marxist. De problematiek speelde in zijn vroege werk altijd een secundaire rol. Wel participeerde Lefebvre in twee van de grotere antikoloniale mobilisaties uit de Franse geschiedenis. Midden jaren twintig, nog voordat hij toetrad tot de communistische partij, kwam hij via de surrealisten terecht in antikoloniale kringen en zou hij zelfs kort de cel in gaan voor zijn deelname aan een campagne die was georganiseerd door de PCF tegen Frankrijks rol in het neerslaan van de Rif-opstand in Marokko, en waarin Franse soldaten werden opgeroepen zich te verbroederen met de Riffijnen. Dit liet echter geen sporen na in zijn werk uit het Interbellum. Midden jaren vijftig zou Lefebvre tegen de officiële en hoogst dubieuze partijlijn ingaan door de Algerijnse Onafhankelijkheidsstrijd te steunen, door dissidente communisten in contact te brengen met een netwerk van mensen die het Algerijnse Bevrijdingsfront (FLN) ondersteunden. Onder de indruk van de Algerijnse Onafhankelijkheidsstrijd en de Cubaanse Revolutie, en inmiddels bevrijd van wat Lefebvre omschreef als het ‘verstikkende nationalisme’ van de PCF, begon de term ‘kolonisatie’ steeds vaker op te duiken in zijn werk. Misschien was hij door de dekolonisatie van de Franse kolonies in Noord-Afrika en Zuidoost Azië wel op het idee gekomen dat de Franse samenleving zelf gekoloniseerd was, want kort daarna zou Lefebvre het idee van de ‘kolonisatie van het dagelijks leven’, als onderdeel van zijn ‘kritiek van het dagelijks leven’, voor het eerst naar voren brengen.

De kritiek van het dagelijks leven

Het idee van de kritiek van het dagelijks leven vormde een rode draad in het gehele oeuvre van Henri Lefebvre, van zijn eerste essays uit de jaren dertig tot en met zijn postuum verschenen werk. Het omvatte, genereerde en absorbeerde alle filosofische zaken waarover hij schreef, met steeds de wording van ‘de totale mens’ als doel.

Het dagelijks leven is een residu, waaruit alle autonomie is verdwenen

Het geven van een eenduidige definitie van het ‘dagelijks leven’ is lastig, want gedurende de vijftig jaar waarin Lefebvre schreef over de kritiek van het dagelijks leven veranderde zijn uitleg van het begrip nogal eens, doordat de wereld zelf en daarmee het dagelijks leven ook enorm veranderde. Het begrip is dan ook niet statisch of passief en Lefebvre begon elk deel van zijn Kritiek dan ook met een uitgebreide herziening van zijn eerder gemaakte argumenten en definities. Belangrijk voor de verdere begrijpelijkheid van dit artikel is in elk geval het idee van het dagelijks leven als een residu, met zowel een tijdelijke als een ruimtelijke dimensie, waaruit alle autonomie is verdwenen.

De in potentie revolutionaire arbeider was veranderd in een wezenloze productiekracht en een slaafse consument

Was Lefebvre in het kielzog van de overwinning op nazi-Duitsland in het eerste deel van de Kritiek (1947) nog erg optimistisch over een revolutie van het dagelijks leven, vanwege de (economische) ontwikkelingen in de jaren vijftig was hij dat in het tweede deel (1961) absoluut niet meer. Door het ontstaan en de snelle groei van de Franse consumptiemaatschappij had het kapitalisme het dagelijks leven in al zijn hoeken en gaten doordrongen. Het dagelijks leven was verworden tot wat Lefebvre ‘het object van bureaucratisch programmeren van gecontroleerde consumptie’ noemde. De in potentie revolutionaire arbeider was in zijn dagelijkse routine veranderd in een wezenloze productiekracht en een slaafse consument.

De kolonisatie van het dagelijks leven

Tegen deze achtergrond beweerde Lefebvre in het tweede deel van De Kritiek voor het eerst dat het dagelijks leven was gekoloniseerd. In naam van de nieuwste technologische ontwikkelingen en de consumptiemaatschappij was het dagelijks leven tot een extreem punt van vervreemding gebracht. Hij vergeleek de relatie tussen metropool en kolonie met de relatie tussen de dominante en gedomineerde sectoren in de laatste fase van het imperialistische kapitalisme en kwam tot de conclusie dat de kapitaalaccumulatie was verschoven van de kolonies naar de binnenlandse markt van de metropool. Later erkende hij dat hij ‘overdreven kritisch’ was geweest in het oprekken van de betekenis van het begrip kolonialisme, juist op het moment dat het kolonialisme van het wereldtoneel leek te verdwijnen. Maar in tegenstelling tot zijn eigen beweringen bleef hij het begrip ‘kolonisatie’ hanteren als een vage metafoor voor alledaagsheid en een vorm van vervreemding in de metropool, zonder nu precies uit te leggen wat nu het verband was tussen deze begrippen. Geïnspireerd door de Kritiek en in dialoog met zijn (toen nog) zeer goede vriend was Guy Debord tot dezelfde conclusie gekomen. Hij zou deze uitwerken in De Spektakelmaatschappij, maar ook Debord maakte niet echt duidelijk waarom hij het begrip ‘kolonisatie’ hanteert voor het spektakel dat ons dagelijks leven is gaan beheersen.

Waar periferie is, en waar centrum, is sprake van kolonisatie

Zo’n vijftien jaar later kwam Lefebvre met een uitgewerkt concept van het begrip ‘kolonialisme’, dat hij nu definieerde als ‘een staatsgebonden praktijk van het produceren van hiërarchische territoriale relaties’, en dus als cruciaal aspect van de staat in het produceren van abstracte (homogene, gefragmenteerde en hiërarchische) ruimte. Na gedetailleerde besprekingen van imperialistische theorieën van Lenin, Rosa Luxemburg, Samir Amin en Ander Gunder Frank in het tweede en derde deel van zijn serie over de staat (De l’Etat) concludeerde hij in het vierde deel dat, overal waar een gedomineerde ruimte wordt gegenereerd en beheerst door een dominante ruimte – waar periferie is, en waar centrum – er sprake is van kolonisatie. In tegenstelling tot Lenin beweerde Lefebvre dat het imperialisme niet slechts een fase van het kapitalisme is, maar een voortdurende, hardnekkige eigenschap ervan. Verder suggereerde hij dat een behoorlijke analyse van kolonisatie verder moest kijken dan alleen de economische aspecten van het door productie gedreven imperialisme, en zich moest focussen op zowel de relaties van overheersing (inclusief alle vernederende en denigrerende aspecten die vaak gemist worden in macropolitieke-economische analyses van het imperialisme) als de ruimtelijke, territoriale vormen waarin staatsgebonden overheersing wordt georganiseerd.

Door de focus te verplaatsen van de economische, naar de ruimtelijke dimensies van het imperialisme werd het volgens Lefebvre ook mogelijk om verschillende vormen van kolonisatie te vergelijken en kon zijn definitie van dat begrip ook worden toegepast in het analyseren van relaties tussen en binnen de verschillende (urbane) regio’s van de metropool zelf. Zo identificeerde Lefebvre in de negentiende eeuw niet alleen de verbanning van koloniale onderdanen naar speciale wijken in de koloniale steden als een typische vorm van kolonialisme, maar ook de verbanning van de Parijse arbeiders naar de banlieues, in de verbouwingen van Haussmann, die simpelweg geen goedkope huisvesting meer opnam in zijn verbouwingsplannen voor het centrum. Ook in de tweede helft van de twintigste eeuw ging formele dekolonisatie hand in hand met een wereldwijde uitbreiding van het koloniale systeem, inclusief de interne kolonisatie van perifere regio’s (zoals in Frankrijk Bretagne, Frans Baskenland en de Pyreneeën), dorpen en verstedelijkte centra, volgens wat Lefebvre het functionalistische ‘model van geïsoleerde eenheden’ noemde: het onder het mom van modernistische stadsvernieuwing ordenen van de ruimte in een hiërarchische en gefragmenteerde verzameling van getto’s door middel van gestandaardiseerde sociale woningbouw en suburbanisatie, om zo de arbeiders te spreiden en de massaconsumptie te organiseren.

De gebeurtenissen van mei 1968, die etniciteit, cultuur en klasse overstegen, hadden Lefebvre de ogen geopend voor de ongelijkheid van ervaringen in het dagelijks leven. Door ‘de kolonisatie van het dagelijks’ leven te voorzien van een ruimtelijke dimensie, of beter gezegd, door ‘kolonisatie’ in de ruimtelijke dimensie van het dagelijks leven te situeren, wist Lefebvre een directe lijn te trekken tussen de Commune van Parijs en Mei ‘68 – een lijn die hij ongetwijfeld had doorgetrokken naar de opstanden in de banlieues van 2005, als hij op dat moment nog had geleefd.

Kritiek en kracht

De vele recentelijke vertalingen van vooral Lefebvre’s urbane teksten laten zien dat zijn theorieën nog steeds bruikbaar zijn. Toch is er ook kritiek gekomen op zijn ideeën over de kolonisatie van het dagelijks leven vanwege hun eurocentrische karakter. Kolonialisme en imperialisme zouden nog steeds slechts een secundaire zorg zijn voor Lefebvre, aangezien hij deze begrippen slechts uitwerkt als onderdeel van het urbanisatieproces en de productie van ruimte. Hij zou te weinig oog hebben voor de historische, geografische en sociale dimensies van kolonialisme en voor de verschillende vormen ervan. Zijn werk zou daarom moeten worden aangevuld om de meer imperialistische, patriarchale, racistische, feministische en klasse-specifieke aspecten van kolonialisme te kunnen analyseren en de relaties tussen urbanisatie en imperialisme in kaart te brengen.

Leven werd de nieuwe subversieve categorie

De kracht en de actualiteit van Lefebvre’s theorie van het dagelijks leven moeten we vooral zoeken in het feit dat hij met deze theorie de programmatische agenda – gericht op de verovering van het staatsapparaat en de gecentraliseerde planning van de productie door de collectieve macht van de arbeidersklasse van het traditionele marxisme – wist te overstijgen. Aangezien het gehele dagelijkse leven was gekoloniseerd en het traditionele proletariaat door de volledige urbanisatie van de samenleving in een proces van ontbinding was geraakt, konden klassenstrijd en revolutie zich niet meer alleen op de werkvloer afspelen. Juist in het dagelijks leven werd de economie gelinkt aan individuele levenservaringen, en niet ‘werken’, maar ‘leven’ werd daarom de nieuwe subversieve categorie: een terrein dat voor iedereen essentieel is, maar in toenemende mate gebreken begint te vertonen voor zijn gebruikers aangezien ook de sociale ruimte zelf werd geïntegreerd in het proces van waardevermeerdering van het kapitaal. Dit nieuwe revolutionair subject zou zich niet alleen richten tegen de uitbuiting van arbeidskracht maar tegen de vernietiging van zijn algehele leefomgeving. De ‘totale mens’ die Lefebvre voor ogen had bereikte niet alleen zelfbeheer op de werkvloer, maar zelfrealisatie in alle facetten van het leven.

De stad, of beter gezegd het urbane, zou daarbij het nieuwe actieterrein worden. De moderne stad was volgens Lefebvre niet alleen de zetel, het instrument en de actieradius van het neokolonialisme, de stad was ook een niveau van sociale realiteit dat zich bevond tussen het privéniveau van het dagelijks leven en het mondiale niveau van de staat en de wereldmarkt. Dat dit niveau volgens Lefebvre steeds verder werd uitgehold zag hij niet als een voldongen feit, maar – onder de roep van het recht op stad – als een mogelijkheid om de stad te transformeren door middel van een urbane revolutie, die niet alleen de stedelijke ruimte zelf maar het gehele dagelijks leven zou bevrijden van de allesoverheersende en verstikkende invloed van het kapitaal.

door Dennis de Lange

Meer info

Christian Schmid (ed.), Urban Revolution Now. Henri Lefebvre in Social Research and Architecture (2014).

Kanishka Goonewardena (ed.), Space, Difference, Everyday Life. Reading Henri Lefebvre (2008).

Stuart Elden (ed.), Henri Lefebvre, Key Writings (2017).

De jaren zestig

Dekolonisering van een geschiedbeeld

Dansende en blowende hippies in San Francisco. Ludiek actievoerende Provo’s in Amsterdam. Protesterende studenten in Parijs, Berlijn, Rome, Maagdenhuisbezetters in Amsterdam, eerdere universiteitsbezettende studenten in Berkely en Columbia Universiteit. Een demonstrerende stadsbevolking in Praag tegenover Russische tanks. Miljoenen stakende arbeiders in Frankrijk, Italië en elders. Nog veel meer dansende en blowende hippies, in Woodstock, in Kralingen op de Isle of Wight… Dat zijn beelden die mensen zich voor de geest halen als ze spreken over ‘de jaren zestig’. Zoomen we in op 1968, het jaar waarin dat decennium van rebellie haar symbolisch hoogtepunt bereikte, dan zien we meer van hetzelfde, in hogere intensiteit.