Het recht over de stad in Turks-Koerdistan

Neoliberalisme, gentrificatie en conflict in Diyarbakir

De gentrificatie in het zuiden van Turkije gaat hand in hand met de oorlogseconomie rondom het Turks-Koerdische conflict. Een onderzoek en ooggetuigeverslag uit Diyarbakir, Turks-Koerdistan.

In de late jaren ’90 kwamen stedelijke transformatie en bijbehorend beleid op de Turkse politieke agenda. Aan de ene kant decentraliseerde de controle van de staat over stedelijke planning door nieuwe wetgevingen en kregen stads- en streekbesturen meer macht. Aan de andere kant leidde hetzelfde beleid tot een monopolie in de bouwsector in handen van de zogenaamde ‘Governmental Mass Housing Administration’ (TOKI), dat financieel gezien het belangrijkste gereedschap van de staat werd voor al haar stedelijke hervormingsplannen.

De gentrificatie gaat hand in hand met de oorlogseconomie rondom het Turks-Koerdische conflict

Sindsdien zijn er tal van voorbeelden van projecten waarbij grootschalige stedelijke transformatie wordt ontworpen en gerealiseerd in Turkse en Koerdische steden, waarbij de sociale structuren binnen die steden opnieuw worden gerangschikt: de rijken domineren de nieuw gecreëerde ruimte en bepalen hoe die wordt gebruikt, terwijl de financieel minder krachtige mensen vast komen te zitten in de ‘nieuwe stad’ of worden weggedrukt naar buitenwijken. In andere woorden, zij met de juridische en politieke macht om een ‘nieuwe stad’ te realiseren lijken te beschikken over meer rechten over de stad dan zij die in die stad wonen. Dit is uiteraard niets nieuws of bijzonder aan de Turkse of Koerdische situatie. Nergens ter wereld staat gentrificatie bekend om haar participerende karakter. Wat echter wel karakteristiek is voor de neoliberale stedelijke herontwikkeling en gentrificatie in Turks-Koerdistan, is dat deze ontwikkelingen hand in hand gaan met de oorlogseconomie rondom het Turks-Koerdische conflict.

Dertig jaar lang conflict heeft Turkije in tweeën gescheurd, zowel etnisch als ook in klasse. Politieke onrust, vervolgingen en repressie in de jaren ’90 hebben geleid tot grote interne migratiegolven vanuit de verwoeste Koerdische binnenlanden naar steden als Diyarbakir, waar mensen zich vestigden in krottenwijken. Dankzij vredesonderhandelingen brak in de 2000’s een periode van stabiliteit aan en kon een stad als Diyarbakir zich economisch ontwikkelen. Als stad zonder industrie, moest de focus komen te liggen op de toeristen- en de bouwsector. Er ontstond een door handel gedreven en zakelijke klasse, wat leidde tot een groter gat tussen de rijken en de armen, en conflicterende belangen tussen pro-Koerdische gemeenteraden en de lagere klassen waarvan diezelfde gemeenteraden zeggen dat zij hen representeren.

Nadat in 2015 de vredesonderhandelingen tussen Erdogan en de PKK mislukten, verplaatste het conflict zich van de landelijke gebieden naar de steden. Avondklokken werden ingevoerd over lange periodes in wijken van Koerdische steden, waaronder bijvoorbeeld Diyarbakir, Sirnak en Cizre, die leidden tot het vertrek van duizenden mensen. Voor velen van hen was dit de tweede of derde keer dat ze werden gedwongen te migreren. In het district Sur, Diyarbakir, voelden meer dan 20.000 mensen de gevolgen van de spertijd. Toen de schermutselingen die daaruit volgden in 2016 eindigden, onteigende de regering het district en bracht het gebied onder in een groot plan voor stedelijke herontwikkeling. Interessant genoeg vond dit herontwikkelingsproject in 2010 al haar oorsprong bij de pro-Koerdische gemeenteraden en TOKI. Echter, in 2016 nam de regering de volledige controle over dit project.

Het Turks-Koerdische conflict is altijd al een gevecht geweest over grondgebied, zeggenschap en meningen. Sinds de neoliberale koerswijziging in de vroege 2000’s kan daar het gevecht om de stedelijke ruimte – en de opbrengsten daaruit – aan toegevoegd worden. Op lokale schaal gaat het om een conflict tussen zij die de plannen maken (zij die de macht hebben om grootschalige veranderingen in het stedelijke gebied te kunnen bepalen, met behulp van wapengekletter of diplomatie) en de gebruikers (zij die in de stedelijke gebieden wonen). Afgelopen lente (2018, red.) reisde ik af naar Diyarbakir om erachter te komen hoe het gevecht om de stedelijke ruimte de inwoners van Sur heeft beïnvloed. In dit artikel schrijf ik over mijn ervaringen en wat ik leerde van de vele gesprekken die ik voerde met ontheemde vrouwen uit Sur, buurtvertegenwoordigers en architecten en advocaten die bij de zaak betrokken waren.

Sur, Diyarbakir

Het meest onderscheidende kenmerk van Diyarbakir is het oude kasteel in de wijk Sur, een 5.800 meter lange vesting bestaande uit twee delen: het buitenkasteel (Dis Kale) dat de wijk omringt en het binnenkasteel (Ickale) dat de buurt Cevatpasa omringt binnen Sur (figuur 1).

Zoals vermeld, trokken duizenden mensen in de jaren negentig van het platteland van Turks-Koerdistan naar stedelijke centra als Diyarbakir ten gevolge van de militaire operaties en de leegloop van dorpen. Alleen al tussen 1990 en 1994 nam de bevolking van Diyarbakir drastisch toe van 380.000 mensen tot 1 miljoen, en daarmee ook de informele verstedelijking in de vorm van sloppenwijken in Sur.

De nieuwe bewoners van Sur vormden solidariteitsnetwerken om armoede en stigmatisering aan te pakken

Diyarbakir is, net als de omliggende Koerdische bevolkte gebieden, altijd sociaal-economisch onderontwikkeld geweest, heeft geleden onder economische stagnatie en was tot 2002 onderworpen aan een strenge noodregel. Bij aankomst in een reeds verarmde stad met hoge werkloosheid moesten migranten omgaan met een aantal economische, huisvestings-, gezondheidsproblemen en psychologische problemen, evenals het aanpassen aan het stadsleven. De centrale overheid was niet bereid om een vergoeding te betalen voor de verloren eigendommen van mensen in de dorpen die zij achterlieten, of financiële steun te geven om de nieuwe levensomstandigheden van de migranten te verbeteren. Met de tijd namen de nieuwe bewoners van Sur, vervreemd van de centrale overheidsstructuren, soms met steun van het pro-Koerdische district en lokale gemeenten, verschillende informele wijkgebaseerde socio-economische praktijken aan. Ze vormden solidariteitsnetwerken om armoede en stigmatisering aan te pakken. En om te kunnen leven in waardigheid.

In 2015 telde de bevolking van Sur 50.341 mensen en bestond het district uit 15 buurten, namelijk Cevat Pasa, Ali Pasa, Lalebey, Fatipasa, Dabanoglu, Hasirli, Savas, Cemal Yilmaz, Melikahmet, Ziya Gokap, Suleyman Nazif, Abdaldede, Iskandar Pasa, Cami Nebi en Cami Kebir in Dickale (figuur 2).

Stedelijke transformatie – Conflict – Onteigening

Stedelijke transformatie

In 2008 lanceerden TOKI en het gouverneurschap Diyarbakir een stedelijk transformatieproject om 596 huizen in de wijken Ali Pasa-Lalebey en Cevat Pasa-Fatihpasa in Sur, Ickale te slopen en vervolgens de ontheemden te verplaatsen naar de door TOKI gebouwde massale nieuwbouwwijk Colguzeli, voor wie met het openbaar vervoer reist één uur verwijderd van het centrum van de stad. Twee jaar later, in 2010, begonnen Diyarbakir en Sur deel te nemen aan het project zonder hierover een publieke discussie te beginnen. De gemeente wilde Ickale renoveren. In feite was het haar doel om er een openluchtmuseum van te maken om het toerisme te bevorderen, de concurrentie tussen bedrijven te vergroten en de economie van de stad in het algemeen te verbeteren, om enerzijds economisch meer onafhankelijk te zijn van de centrale overheid en aan de andere kant, het merk Diyarbakir als de culturele hoofdstad van Turks-Koerdistan op de kaart te zetten. Het budget was echter niet toereikend.

Dus voor Ickale werd de afspraak gemaakt dat TOKI de onteigeningen zou regelen namens de gemeente en dat daarna de gemeente de verbouwingswerkzaamheden zou uitvoeren. Zo gaf de gemeente politieke steun aan TOKI om de wijken Ali Pasa en Lalebey te onteigenen en te slopen.1Aldus Muzaffer Ozdemir, advocaat die de onteigeningszaak van het district Sur volgt, mei 2018, persoonlijk interview.

In 2013 werd een urgente beslissing genomen voor onteigening van Ali Pasa en Lalebey. Dit proces was niet transparant en werd afgewend door ecologische verenigingen, advocaten, architecten en buurtbewoners. Huiseigenaren in Ali Pasa en Lalebey en degenen die in Hazreti Suleyman (Ickale) woonden, kregen een geldbedrag aangeboden als compensatie voor hun huis of konden kiezen voor een huis in het massale nieuwe huisvestingsgebied in Colguzeli. Sommige mensen accepteerden hun huis vrijwillig te verlaten, terwijl anderen dat niet deden. Veel van degenen die naar Colguzeli verhuisden hadden moeite het hoofd te bieden aan en betalen van hun nieuwe woonsituatie.

De betrokkenheid van zowel de Sur-gemeente als de GMD (overkoepelend gouvernementsbestuur van alle districten van Diyarbakir, red.) in het project was een van de meest polemische beslissingen van de tweede en derde pro-Koerdische gemeenteperiode van Osman Bydemir (regeringsperiode 2004-2014), omdat het radicaal botste met de oorspronkelijke praktijken van de pro-Koerdische partij en de ideologie van de beweging. Ook wat betreft de deelname van de pro-Koerdische gemeenten ontbrak het aan politieke steun binnen de Democratische Volkspartij (HDP). In 2014 werd er met de uitzettingen gestaakt toen de nieuw verkozen co-burgemeesters van de GMD, Gulten Kusanak en Firat Anli, zich eenzijdig terugtrokken uit het ‘Urban Transformation-protocol’.

Conflict

De gevolgen van de Syrische oorlog beïnvloedden het vrede- en oplossingsgerichte proces van 2012-2015 tussen Erdogan en de PKK. In Syrië werd Rojava in juli 2014 onder controle genomen door de YPG-troepen. Ondertussen nam in Turkije de politieke repressie toe. In augustus 2015 hebben verschillende stads- en districtbesturen in Turks-Koerdistan, waaronder Diyarbakir, verklaringen afgelegd voor zelfbestuur, met de steun van de KCK (Komala Civaten Kurdistane, Volksgroep Koerdistan). Vervolgens ging in Diyarbakir de YDG-H (Yurtsever Devrimci Genclik Hareket, Patriottische Revolutionaire Jeugdbeweging), algemeen bekend als ‘de Jeugd’ van de PKK, Sur binnen, groef loopgraven en bouwde barricades en begon ’s nachts patrouilles te houden, vooral in het westelijke deel van het district.

De regering reageerde met ijzeren vuist. Tussen 6 september 2015 en 9 maart 2016 werden zes afwisselende spertijden ingesteld in zes buurten van Sur (Cevat Pasa, Dabanoglu, Fatihpasa, Hasirli, Cemal Yilmaz en Savas) en één in Ziya Gokap, Suleyman Nafiz, Abdaldede, Lalebey en Ali Pasa, tussen 27 januari en 3 februari.

De zes spertijden waren gericht op een gebied waar 21.693 mensen woonden, waardoor 5.497 gezinnen werden verdreven. Als de uitgaansverboden in één buurt werden verklaard, werd het hele district getroffen. Alle ingangen van Sur werden afgesloten met politiebarricades en controleposten. Ook de buurten naast die onder spertijd werden getroffen door beschietingen en bomexplosies.

Terwijl de eerste uitgaansverboden in de zes buurten slechts enkele dagen duurden, hield de laatste 103 dagen stand. Na het officiële einde werd er een de facto spertijd gehandhaafd en het gebied is met betonnen politiebarricades tot op heden gesloten voor het publiek. De uitgaansverboden werden geïmplementeerd als onderdeel van de ‘noodzakelijke beslissingen en maatregelen om de vrede en veiligheid binnen de provinciale grenzen te beschermen’. Toch is het de vraag of het gebruik van geweld vanuit de Turkse staat een noodzakelijke maatregel was, of liever gezegd een strategische beslissing om de Koerdische beweging een lesje te leren en het gebied dat aan hen loyaal is te ondermijnen.

Media kregen geen toegang tot de gebieden die onder het uitgaansverbod vielen, maar er werden talloze schendingen van de mensenrechten geregistreerd samen met talloze beschadigingen van eigendommen en de vernietiging van de historische gebouwen in het district. Over het algemeen veroorzaakte het conflict enorme migratiegolven, doden onder burgers, verwondingen en psychologische trauma’s. Geen van de vrouwen met wie ik sprak overwoog het achterlaten van hun huizen alsof het een keuze was. Zij moesten wel, uit angst en voor de veiligheid van hun kinderen, of ze werden gedwongen door het leger, of simpelweg omdat het eten op raakte. Het moment van vertrek kwam dan ook vaak onvoorzien en in alle haast, waardoor mensen niet meer meenamen dan een rugzak vol spullen. Te meer omdat deze mensen dachten terug te kunnen keren naar hun huizen wanneer het conflict voorbij zou zijn. Echter, na het officiële einde van het conflict, op 9 maart 2016, bleven de zes wijken afgesloten voor het publiek en daarmee werd het uitgaansverbod in feite gewoon in stand gehouden.

Onteigening

Op 21 maart kondigde de Raad van Ministers een urgent bevel aan voor onteigening van het hele gebied van Sur, onder voorwendsel dat het een riskant gebied is. 6.292 van de 7.714 percelen in Sur werden tot algemeen goed verklaard. De resterende 18 procent van de percelen was al in bezit van TOKI en dus de staat. Op deze manier viel het proces van stedelijke hervormingen uit handen van de pro-Koerdische gemeenteraden, van wie tijdens het begin van het conflict de burgemeesters opgepakt waren en aangeklaagd voor terrorisme en vervangen door regeringsgezinde vertrouwelingen. Sinds 2016 wordt de stedelijke herontwikkeling in Sur bepaald door de staat en TOKI.

Zonder enige transparantie in de plannen en hoe de onteigende eigendommen gebruikt zullen worden, zijn sloopwerkzaamheden tot op de dag van vandaag in volle gang in de zes wijken die met lange uitgaansverboden te maken kregen (figuur 3).

De stedelijke transformatieplannen van 2012 (voor de wijken Ickale en Ali Pasa en Lalebey), waarvan de gemeenteraad van Diyarbakir zich in 2014 terugtrok, werden opnieuw opgepakt. Het gebied Hazreti Suleyman in Cevat Pasa, Ickale, dat tijdens het conflict gesloten was werd weer opengesteld in 2017. Plotseling was het restant van de historische wijk omgetoverd tot een park dat wordt gebruikt als voorbeeld van hoe mooi Sur zal worden na de stedelijke hervormingen. Oftewel, alle voormalige inwoners die in 2012 tegen de ontruiming van het gebied waren en desondanks hun huizen moesten verlaten, kunnen onmogelijk terugkeren (figuur 4).

Figuur 4: Hazreti Suleyman Park. (Bron: foto genomen door auteur)

Het grootste deel van de wijken Ali Pasa en Lalebey, ondanks dat zij niet tot de gebieden hoorden waar de uitgaansverboden golden, werden met dwang ontruimd en gesloopt in de zomer van 2017 (figuur 5), waarna de bouw begon van ‘traditionele Diyarbakir huizen’ (figuur 6).

Precariaat

Na de onteigening opende de regering een bankrekening bij Ziraat Bank voor iedere huiseigenaar in Sur. Er werd een bedrag gestort dat overeen komt met de geschatte waarde van het onteigende huis en de mensen kregen drie keuzes: 1. het geld accepteren, 2. een door TOKI gebouwd huis aan de rand van de stad aannemen of 3. een nieuw huis kopen dat wordt gebouwd in Sur. Echter, alle vrouwen die ik interviewde lieten weten dat alle drie de opties problematisch zijn.

Ten eerste, de waarde van de onteigende huizen in Sur werd systematisch onderschat. Het bedrag dat men kreeg voor onteigende huizen lag 50% onder de echte waarde van de huizen. Mensen die geprobeerd hebben via de rechtspraak een eerlijkere prijs voor hun huis te krijgen, konden rekenen op dubieuze uitspraken, vooral in Ali Pasa en Lalebey. Bijvoorbeeld in de zaak van Cadif, één van de vrouwen die ik sprak. Zij kreeg 41.000 TL (Turkse Lira) voor haar huis in Ali Pasa dat was gesloopt in de zomer van 2017. Ze stapte naar de rechtbank en eiste een hogere compensatie, maar de rechter ging daar niet in mee en de waarde van haar huis werd teruggebracht tot 38.000 TL.

De tweede optie, verhuizen naar een TOKI huis aan de rand van de stad, gaat ook gepaard met financiële problemen. Om te beginnen is het nieuwe huis niet gratis en wordt het niet verkocht voor een rechtmatige prijs. De (te laag) geschatte waarde van een onteigend en gesloopt huis in Sur wordt over de waarde van het nieuwe TOKI huis in mindering gebracht. Omdat veel mensen uit Sur niet in de gelegenheid zijn om ad hoc de rest van hun nieuwe huis af te betalen, biedt TOKI de nieuwe bewoners een lening. Op deze manier profiteert TOKI van het onteigeningsproces door rente, terwijl de mensen die onder dwang moesten vertrekken uit hun originele huizen de rest van hun leven aan een hypotheek vast zitten. De problemen beperken zich echter niet alleen tot het afbetalen van de nieuwe lening aan TOKI en het feit dat de nieuwe bewoner het nieuwe huis niet mag verkopen voordat alles is afbetaald. Het leven in de buitenwijken is ook gewoon duurder dan in Sur zelf. ‘Het leven in Sur was bijna gratis, zou je kunnen zeggen, maar hier kost elke stap die je zet geld’, zegt Hatice, een vrouw die ik sprak. De nieuwe TOKI wijken zijn ver verwijderd van het centrum van de stad en vele vrouwen die in het centrum woonden zijn daar vertrouwd, reizen heen en weer voor boodschappen en om vrienden en familie te bezoeken. Al met al draagt de fysieke afstand bij aan extra kosten voor onder andere openbaar vervoer en schept het een nieuwe afscheiding die mensen isoleert.

Kiest men voor de laatste optie en wil men in Sur blijven wonen, dan wordt een appartement aangeboden in één van de huizen die nieuw in Sur gebouwd worden. De prijs per vierkante meter die verkocht wordt is 2.300 TL hoger dan de prijs per vierkante meter die men kreeg voor hun originele gronden. Oftewel, mensen die in Sur woonden zijn vaak niet in staat om de extra kosten te betalen.

Al met al is geen enkele optie rendabel voor de vrouwen die ik heb gesproken. De meesten van hen kozen er uiteindelijk voor om het geld dat ze voor hun oude woningen kregen te accepteren en huurden iets om weer even vooruit te kunnen. Vrouwen die geen eigen huis hadden in Sur en in de oude situatie al huurden hadden nog minder geluk en kregen niets. De regering bood hen wel een maandelijks bedrag van 1.000 TL als tegemoetkoming voor extra huurkosten, wat de meesten accepteerden. Maar vervolgens blijkt in sommige gevallen deze maandelijkse hulp al na een half jaar, of soms een heel jaar, te stoppen, zonder enige uitleg. In het geval van Livia, een andere vrouw die ik sprak, werd de huur hulp stopgezet op het moment dat ze tekende voor de uitkering in ruil voor haar oude huis.

Conclusie

Gedurende twee maanden sprak ik met vrouwen die tussen 2011 en 2017 gedwongen werden hun huizen in Sur te verlaten. Alle verhalen die ik van hen hoor zijn anders, maar hebben één ding gemeen. Het verlies van iemands huis betekent niet alleen het verlies van iemands persoonlijke omgeving, met het economische precariaat dat daarop volgt. Voor vrouwen in Sur, kan hun thuis niet worden gereduceerd tot slechts een fysiek ding met vier muren en soms een tuin. Een thuis in Sur beslaat de hele buurt waarin iemand leeft. Het gevoel van heimwee dat door de onteigening opspeelt heeft meer te maken met het gemis van een levensstijl, ofwel een gevoel dat zich niet laat aanmeten in zomaar een andere leefomgeving buiten het oude Sur. De levensstijl in het oude Sur mag dan misschien wel voortgekomen zijn uit armoede en noodzaak, maar het gaf de mensen wel waardigheid en het gevoel dat zij zelf controle hadden over hun eigen leven. Mensen werkten hard en verkochten hun eigendommen om een huis te kopen in Sur. Sommigen bouwden zelf een huis of staken veel tijd en geld in een renovatie. Sommigen hielden dieren in hun tuin en oogsten hun eigen voedsel. Anderen bereidden thuis hun eigen brood en gebruikten de oven van de bakker om het af te bakken, omdat dat goedkoper was dan elke dag een kant en klaar brood kopen. Sommigen openden kleine winkeltjes aan huis, zonder een vergunning aan te vragen, om een extra centje te verdienen voor hun familie. Bijna niemand betaalde voor elektriciteit, omdat men het niet kon betalen – en in Sur kon iedereen wel een DIY aansluiting maken. Mensen deelden hun levens, vriendschappen, eten en wat al niet met buren die een hechte commune vormden. Vaak at men samen op straat of dronk men thee op de drempel van hun voordeur. Mensen hielden zelf de straten schoon, omdat ze zich verantwoordelijk voelden om het welzijn van anderen en de buurt.

Maar Sur was ook weer geen paradijs, er waren ook problemen en gevechten, net zoals in elke andere stad. Genderrollen zijn diep geworteld en er heerst duidelijk onderscheid tussen ruimtes voor mannen en vrouwen. Gendergerelateerd geweld is in verschillende mate een harde realiteit voor enkele van de vrouwen met wie ik sprak, hoewel dit ook weer niet specifiek voor Sur geldt, maar meer voor Turkije in het algemeen, waar de regering blijft vasthouden aan de heilige eenheid van de familie door middel van een stigma op echtscheidingen en vergevingsgezindheid voor verkrachters.

Iedereen is verspreid over nieuwe woningen en voelt zich geïsoleerd

Desalniettemin voelde het voor de mensen in Sur alsof zij over hun plek beschikten, omdat zij de mogelijkheid hadden deze vorm te geven en waar nodig te veranderen. Nu vrouwen uit Sur in appartementencomplexen terechtkomen zeggen velen van hen dat ze zich gevangen voelen aangezien ze niet meer buiten in hun deuropening kunnen zitten thee drinken, niet meer tijdens een wandelingetje door de buurt hun boodschappen kunnen doen op de plekjes die zij kennen en vertrouwen. Bovendien verloor iedereen zijn buren, die voor sommigen als familie voelden. Iedereen is verspreid over nieuwe woningen en voelt zich geïsoleerd.

Mensen uit Sur hebben verwondingen opgelopen, zijn gedood en dakloos gemaakt door de Turkse regering en geen rechtvaardige compensatie gegeven. De stedelijke transformatieplannen vormen een nieuw wapen in de oorlog die de Turkse regering voert tegen de Koerdische gemeenschap. Een wapen dat de regering in staat stelt deze gemeenschappen uit elkaar te drijven en een wapen waarmee tevens geld wordt verdient. De mensen uit Sur zijn gedwongen en zonder te vragen in een conflict terecht gekomen waarvoor niemand verontschuldigingen heeft gemaakt aan hen. Velen hebben sympathie voor de Koerdische beweging, maar niemand had verwacht dat de oorlog tot aan zijn eigen huis zou komen.

Aan het einde van één van de interviews die ik had met een vrouw uit Sur, vroeg zij mij: ‘En hoe denken de mensen in Europa over Koerdistan, over Sur en over ons?’ Ik antwoordde dat Sur in Europa niet echt genoemd wordt in het nieuws en dat men het over het algemeen alleen over de ontwikkelingen in Rojava heeft, als er al over Koerdistan gesproken wordt. Toen vroeg zij: ‘Waarom ben je dan hierheen gekomen?’ Ik vertelde dat ik wilde begrijpen wat er in Sur gebeurd was en hoe vrouwen dit beleefden. ‘Dus nu heb je met veel vrouwen gesproken, toch? En begrijp je het nu?’ Ik pauzeerde voor een seconde en zei: ‘Ik denk dat ik het een beetje heb begrepen, maar ik realiseer me dat begrijpen niet genoeg is en nu weet ik niet wat ik kan doen.’ De vrouw zei niets. We rookten een sigaret en dronken onze koffie op, terwijl we wachtten tot het ophield met regenen. Ik verliet haar huis en ging naar het onderzoeksinstituut van waaruit ik werkte. Een maand later keerde ik terug naar Nederland, schreef mijn gruwelijke master scriptie, verstuurde deze naar de universiteit en ging door. Want dat is het leven, wat we allemaal doen, we gaan door.

Auteur: Alejandra
vertaling: Jasper
Serraris

De jaren zestig

Dekolonisering van een geschiedbeeld

Dansende en blowende hippies in San Francisco. Ludiek actievoerende Provo’s in Amsterdam. Protesterende studenten in Parijs, Berlijn, Rome, Maagdenhuisbezetters in Amsterdam, eerdere universiteitsbezettende studenten in Berkely en Columbia Universiteit. Een demonstrerende stadsbevolking in Praag tegenover Russische tanks. Miljoenen stakende arbeiders in Frankrijk, Italië en elders. Nog veel meer dansende en blowende hippies, in Woodstock, in Kralingen op de Isle of Wight… Dat zijn beelden die mensen zich voor de geest halen als ze spreken over ‘de jaren zestig’. Zoomen we in op 1968, het jaar waarin dat decennium van rebellie haar symbolisch hoogtepunt bereikte, dan zien we meer van hetzelfde, in hogere intensiteit.